|
|
|
IJs historie
|
3000
jaar voor het begin van onze jaartelling kenden de Chinezen al
ijs, al was dat 'oerijs' niet te vergelijken met ons huidige ijsje.
Waarschijnlijk bestond het ijs van de oude Chinezen uit zoete,
koude vruchtensappen die in de sneeuw van onderaardse sneeuwkelders
werden bewaard.
Niemand minder dan Marco Polo beschreef in zijn dagboek al een
ijsverkoper, die hij op straat in China zag. Perzen en Indiërs
namen deze wijze van ijsbereiding over. Hun sharbates bestonden
uit vruchtensappen met geschaafd ijs. Koning Salomon zou dergelijke
sharbates met welbehagen hebben genoten.
Vele eeuwen voor onze jaar telling leerden de Grieken van de Feniciërs
al hoe ijs bereid moest worden. De Griekse arts Hippocrates schreef
het voor ter genezing van verschillende ziekten. Uiteraard kenden
de Romeinen, levensgenieters als zij waren, het bestaan van ijs.
Horatius, Vergilius en Plinius berichtten er reeds over.
In Pompeji werd de eerste ijssalon opgegraven. Waarschijnlijk
waren de Romeinen de eersten die room- en vruchtenijs in de ons
bekende vorm bereidden. Tijdens de ondergang van het Romeinse
rijk en de volksverhuizing raakte de kunst van het ijsbereiden
min of meer in de vergetelheid. Later brachten de Arabieren deze
kunst terug naar Sicilië. Op grote hoogte blijft de sneeuw van
de vulkaan Etna op beschutte plekken tot ver in juni liggen. Dat
leverde genoeg basismateriaal voor de ijsbereiding.
Ook heden nog behoren de ijsspecialiteiten uit de Etna-plaatsen
Catania, Acireale en Acitrezza tot de beste van Sicilië. Het merkwaardige
feit dat de aartsbisschop van Catania tot op de dag van vandaag
het recht heeft op alle sneeuw van de Etna, houdt zeker verband
met deze ijstraditie. Waar diende de sneeuw immers anders voor
dan voor de bereiding van ijs? Bij de uiteindelijke verbreiding
van consumptie-ijs speelde Marco Polo eveneens een rol. Zo rond
1300 bracht hij van zijn reizen naar China recepten mee die alras
hun weg vonden naar de Europese koningshuizen. Toen Catharina
de Medici in 1533 trouwde met de latere Franse koning Hendrik
II, nam zij een hele hofhouding van kameniersters en vooral koks
mee naar Parijs; de franse keuken was toentertijd namelijk lang
niet zo beroemd als nu.
Eigenlijk markeert deze Toskaanse import het begin van de Franse
gastronomie. Onder de vele koks bevond zich ook een gelatiere,
een ijsmaker die de ijsgerechten voor het bruiloftsdiner moest
bereiden.
In de eerste helft van de zestiende eeuw ontdekte men ook dat
door vermenging van ijs en zout lagere temperaturen ontstaan.
Dat verlichtte het werk van de ijsmakers niet onaanzienlijk. De
triomftocht van het consumptie-ijs begon in het midden van de
zeventiende eeuw. De Siciliaan Francesco Procopio Coltelli opende
rond die tijd in Parijs een ijssalon. Zijn succes was enorm en
zijn Café Procope, dat vandaag de dag in de Rue de l'Ancienne
Comédie onder de naam "Le Procope" nog altijd bestaat, werd in
de kortste keren beroemd en inspireerde anderen zijn voetstappen
te volgen.
In 1685 waren er in Parijs al circa 250 Limonadiers de Glaces
de Fruits et de Fleurs, ijsbereiders dus, die ook een eigen gilde
vormden.
Terzelfder tijd viel een ontwikkeling waar te nemen die het ijsbereiden
een verdere impuls gaf: de uitvinding van de sorbetière, een soort
roerwerk in een bak ijs. Tijdens het bevriezen wordt het ijs daarin
tegelijkertijd met lucht verrijkt, wat een romige consistentie
oplevert. Een paar zaken die de verdere verbreiding van consumptie-ijs
ondersteunden, mogen niet onvermeld blijven. Aan het eind van
de achttiende eeuw verscheen het eerste receptenboek voor consumptie-ijs,
geschreven door Charles Mytilène. Hij kende al toepassingen van
ijs voor bombes, charlottes en taarten. De koeltechniek die zich
bedient van de verdamping van ammoniak, maakte het al in de eerste
helft van de vorige eeuw mogelijk grote hoeveelheden ijs te vervaardigen
en op te slaan. De eerste echte consumptie-ijsfabriek werd in
1851 in de USA geopend en enige tientallen jaren later kon men
ook in Europa het eerste industrieel bereide consumptie-ijs kopen.
De grote doorbraak kwam echter na de Tweede Wereldoorlog - niet
in de laatste plaats door de invloed van de Amerikanen.
|
|
Generaal
Chassé
|
|
Een van Tiels grootste zonen, verdediger van de Citadel van Antwerpen.
Op 18 maart 1765 werd te Tiel, in het huis Kalverbosch 4, geboren
David Hendrik Chassé, zoon van de majoor Karel Johan Chassé.
Als telg van een echt militair geslacht werd ook de jonge David
voor de krijgsdienst bestemd.
|
Reeds op tienjarige leeftijd diende hij als cadet bij het regiment
van zijn vader en nauwelijks 16 jaar oud, kreeg hij zijn aanstelling
tot 2e luitenant. Toen hij enkele jaren later onder patriottische
invloeden kwam, nam hij zijn ontslag als officier in het leger
van de Prins van Oranje, trad in dienst bij de patriotten, week
met hen uit naar Frankrijk en trad in Franse krijgsdienst. Toen
in 1794 de legers van Pichegru ons land binnenvielen, maakte de
29-jarige luitenant-kolonel Chassé als commandant van het 3e Bataljon
Lichte Infanterie van de Brigade Daendels daar deel van uit.
|
Prins
van Oranje
Koning
Willem I
|
Na de uitroeping van
de Bataafse Republiek trad hij in dezelfde rang weer in Nederlandse
dienst. Als kolonel maakte Chassé tal van Franse veldtochten mee,
het bevel voerend over een geheel Franse divisie. Voor zijn dapper
optreden werd hij benoemd tot Ridder in het Legioen van Eer.
Bij het herstel van Neerlands onafhankelijkheid bood Chassé zijn
diensten aan Koning Willem I aan. In de slag bij Waterloo stond
hij als Luitenant-Generaal tegenover Keizer Napoleon en ook toen
onderscheidde hij zich door moedige en beleidvolle daden. Op 30
juli 1815 ontving hij uit handen van de Prins van Oranje het Commandeurs-kruis
der Militaire Willemsorde.
|
Het laatste grote wapenfeit van Generaal Chassé was de verdediging
van de Citadel van Antwerpen in 1832. Koning Willem I had hem
de opdracht gegeven, de citadel niet tot het uiterste te verdedigen.
"Wanneer gij meent, dat er genoeg gedaan is voor eer en plicht,
dan moet gij haar overgeven. Zijne Majesteit wil geen roekeloze
opoffering van zovele braven en verlangt dat wanneer aan eer en
plicht voldaan zal zijn, door hun gedrag aan oud-Nederland de
duurzame achting van Europa zal verzekerd wezen, uw hooggeschat
leven en kan het zijn dat van velen uwer dappere lotgenoten voor
Hem en voor het dankbare Vaderland behouden blijve". Een Frans
leger van vele tienduizenden omsingelde in November 1832 de Citadel,
wier bezetting bestond uit 117 officieren en 3.750 minderen. Op
4 december begon een hels artilleriebombardement uit 85, later
130 vuurmonden. Een munitie-opslagplaats vloog in de lucht. Gebouwen
vielen in puin, een der buitenforten kon door de Fransen worden
bezet. Op 24 december oordeelde Generaal Chassé dat aan de opdracht
des Konings voldaan was en bood een capitulatie aan. Van de bezetting
waren toen 124 man gesneuveld, 359 gewond, 66 gevangen genomen.
Chassé en zijn mannen werden als krijgsgevangenen naar Frankrijk
afgevoerd; maar reeds na een half jaar in vrijheid gesteld.
|
Uit het metaal van een zestal veroverde Franse vuurmonden werd
een medaille geslagen, de Citadel-medaille, welke uitgereikt werd
aan alle
deelnemers aan de verdediging der Citadel. Generaal Chassé
is ook nog korte tijd lid van de Eerste Kamer geweest. In 1841
werd hij gepensioneerd, in 1849 overleed hij op 84-jarige leeftijd.
Op de begraafplaats Ginneken vond hij de rust, welke hij tijdens
zijn veelbewogen leven zo weinig had gekend. In de raadzaal van
het gemeentehuis te Tiel ziet men in een vitrine de eretekenen
en onderscheidingen welke de Generaal in zijn militaire loopbaan
verwierf en welke hij aan zijn geboortestad vermaakte. Ook kan
men er zijn olieverfportret bewonderen. Maar de Citadel-medaille
zal men hier niet aantreffen. Deze siert het vaandel van het Regiment
Zware Infanterie "Chassé " te Maastricht.
|
|
|

|